Weten van niet-weten

Wat kunnen we leren van iemand die 600 jaar geleden leefde voor nu? Nicolas van Cusa, ofwel Cusanus, (1401-1464) is filosoof, theoloog, wiskundige, kardinaal, toppoliticus en mysticus en leefde in een tijd van grote transformaties. De steden komen op en daarmee de stem van burgers, de Islam staat voor de deur, de kerk is in crisis, er zijn allerhande grote technische innovaties als de boekdrukkunst, de Reformatie staat voor de deur.  

Transformatie en mystiek

Als we kijken naar de transformatie in onze tijd waarin de wereld globaliseert, de plek van de Islam in Europa groter lijkt te worden, de kerk in het Westen (of Noorden) in crisis zit, technische innovaties in versnelling zijn, wetenschappelijk onderzoek telkens nieuwe vragen opwerpt, dan lijkt er veel overeenkomst met de tijd van Cusanus. Het is dus boeiend te kijken naar zijn leven, zijn geschriften en wat we hier nu van kunnen leren. Het is verleidelijk om vooral in te gaan op zijn wetenschappelijke inzichten, maar zijn mystieke inzichten spiegelen ons meer en dat maakt Cusanus alleen maar boeiender en actueler.

Hoe speelde weten van niet-weten bij Cusanus een rol? Dit is een vraag die in tijden van transformatie sterk naar boven komt, dan wordt de mens opnieuw geconfronteerd met dat het niet duidelijk of voorspelbaar is waar de wereld naar toe gaat. Juist dan heeft de mens duiding vanuit verschillende perspectieven nodig, maar juist dan houdt zij het liefst vast aan wat al geweten wordt, aan oude patronen, aan zekerheden.  

De blik van God

In drie blogs ga ik vanuit De blik van God, hoofdstuk 2-6 kijken naar weten van niet-weten. Cusanus beschrijft hier vooral het zien en interpreteren van het gelaat van God. In dit geschrift voor bevriende monniken zet Cusanus zijn theorie van het zien en het onzichtbare uit, bedoeld als hulp op hun geestelijke weg. In zijn schrijven gaat hij de weg van beschouwen naar schouwen.

Hoe zien wij?

‘Ons zien is een functie van zintuigelijke prikkels en gemoedstoestanden’.[1] Cusanus is iemand die met de deur in huis valt, zijn vrienden kort meeneemt in wat hij wil vertellen, maar dan zijn gezichtspunt snel op tafel legt en uitgebreid uit de doeken doet. Alles wat we zien is gekleurd zegt Cusanus, we zien, of interpreteren alles wat we zien vanuit onze eigen bril, vanuit onze eigen situatie, onze eigen levensomstandigheden en onze eigen emoties. En of we dit geheel van zien en interpreteren nu zien, aanschouwen, redeneren, ‘horen, smaken, ruiken, tasten, waarnemen of begrijpen’[2] noemen dat is een en hetzelfde.

Zien heeft bij Cusanus dus meer betekenissen, alle zintuigen en manieren van ervaren worden vervat met het woord ‘zien’. Hiermee heeft hij een  holistisch en zintuigelijk beeld van ‘zien’ dat dicht ligt bij ervaren en deze ervaring interpreteren. Zien is in deze zin niet objectief omdat altijd de persoon of het subject hier in mee komt. 

Het gelaat van God zien

Op deze holistische en subjectieve manier kijkt de mens ook naar het gelaat van God, met haar hele hebben en houden, met al haar zintuigen, overtuigingen en biografie. Dit betekent dat elk mens het gelaat van God anders ziet en dat de mens het gelaat van God in verschillende situaties anders kan zien. ‘Wie U dus met liefdevolle blik aankijkt zal enkel Uw gelaat vinden dat hem liefdevol aankijkt… Wie U boos aankijkt wordt op gelijke wijze aangekeken…’[3] Dit is wel spannend, want is het gelaat van God dan nog het gelaat van de Ander? Of kunnen we niet anders dan ons eigen gelaat op het gelaat van God spiegelen?

Cusanus spreekt consequent van het gelaat van God, spreekt hij hiermee over God zelf? Of alleen over dat deel van God wat we denken te kunnen zien en ervaren? Hoe valt God samen met haar gelaat? Of hoe is het gelaat van God de afspiegeling van haar wezen? Verwisselen we God en het gelaat van God niet met elkaar, of vallen deze meer samen dan wij denken? Het lezen van De blik van God roept wezenlijke trage vragen op, vragen die open mogen blijven omdat deze vragen meegaan in ons leven en zo begeleidingsvragen worden.  Je proeft hier weten van niet-weten.

Wat zegt dit over mij?

Kan het gelaat van God alleen ervaren worden op een manier die vooral iets zegt over de mens zelf? Als ik boos ben, kijkt God mij dan daadwerkelijk boos aan? Of kan ik alleen maar boosheid ervaren en zien omdat ik niet open sta voor liefde? Kan God groter zijn dan mijn boosheid op Haar? Wat als ik het lef heb naar het gelaat van God te blijven kijken, mijn blik niet af te wenden, juist als ik boos ben? Ik heb zo’n vermoeden dat er dan iets gebeurt in het aanschouwen, in contemplatie, wat mijn eigen boosheid milder maakt waardoor ik ook het gelaat van God weer anders ga zien. Maar is dat dan mijn eigen innerlijk proces of komt daar dan toch ook iets van God bij? Ontstaat daar iets van verbinding waardoor de een de ander ziet en vice versa?

Voldoende vragen om over door te mijmeren, volgende week een volgende blog over dit thema.

[1] Cusanus, De blik van God, in Mystieke tekstlezing reader, week 4, Titus Brandsma Instituut Nijmegen, h. 2, p. 1.

[2] Ibid., h. 3, p. 1.

[3] Ibid., h. 6, p. 4.