Spiritualiteit van Augustinus

Een korte introductie van het leven van Augustinus lees je in het vorige blog. Nu ontdek je meer over de spiritualiteit van Augustinus. Deze blogserie is een omwerking van een essay over Augustinus naar blogs.

Wie Hem zoeken vinden Hem, wie Hem vinden lofprijzen Hem (1.1)

‘Spiritualiteit is het God-menselijke betrekkingsgebeuren als omvorming.’ Dit geeft handvatten om te kijken wat de tekst van Augustinus zegt over God, over de mens en over de betrekking ofwel verhouding ofwel relatie tussen God en mens. Wat er gebeurt in die betrekking helpt om spiritualiteit te analyseren. Deze handvatten gebruik ik hier om naar de spiritualiteit van Augustinus te kijken.

God heeft in alles het initiatief

God heeft in alles het initiatief, God is daarbij zowel de oorsprong van het zoeken als doel en richting van het zoeken van Augustinus (1.1). In de betrekking, in de relatie vinden zowel God als Augustinus hun identiteit. Augustinus spreekt consequent in een ‘Ich und Du’ relatie, God is bij hem geen object, maar subject. Na een serie beschouwingen over God, gaat hij elke keer opnieuw in gesprek, gebed met God. Dit loopt elke keer uit in lofprijzing. Lofprijzing die een gave van God zelf is. Zo cirkelen het God kennen en het God aanroepen (in smeken of lofprijzing) elkaar omhoog om zo thermiek te vinden.

Een persoonlijke God

God is een persoonlijke God voor Augustinus, niet op de manier dat hij God in zijn broekzak heeft, Hem zich toegeëigend heeft. Wel op de manier waarop hij met God in gesprek is, waarop hij God veelal aanspreekt als Mijn God én waarop God in hem is en hij in God is.
De Bijbel is voor Augustinus een boek waar hij mee leeft. Teksten, vooral Psalmen, zijn hem eigen geworden en verwoorden zijn eigen ervaring, helpen hem woorden te vinden voor wat niet op een andere manier uit te drukken is. Tegelijk geeft Augustinus aan dat onze woorden tekort doen aan wie God is. God is in geen getal, geen maatstaf uit te drukken (1.1).

Leven met vragen

Aan vragen komt geen einde bij Augustinus. Vragen ter verdieping om verder te komen in het doorgronden van het wezen van God, retorische vragen en tegelijk ook vragen die open blijven waardoor God mysterie blijft en zo geprezen wordt. Zo scheppen vragen ruimte, ruimte voor God. Spiritualiteit is gebaseerd op ervaring, ook bij Augustinus, tegelijk kan dit niet zonder reflectie en ook deze reflectie, wordt in de rationele en vragende beschouwingen van Augustinus zichtbaar.

God in mij en ik in God

God in mij en ik in God (1.2), een paradox die bij Augustinus op spanning blijft. Een kernthema in de spiritualiteit van Augustinus. In is een belangrijk sleutelwoord bij Augustinus God is in de mens, omdat de mens geschapen is door God. Als God niet in mij is, ben ik er niet. De schepping- en dus de mens- is in God omdat God de Schepper is van al. Alles is in God, zoals wij in de zuurstof om ons heen zijn en God is in de mens zoals de zuurstof/adem in ons is. God vervult de mens, geeft de mens rust en heil (1.5) en tegelijk kan de mens God niet bevatten (iets omsluiten als een vat – 1.3). God is altijd groter zowel in wat wij van Hem begrijpen als in de ruimte die Zij is. God is de plaats van alles.

In 1.4 gebruikt Augustinus superlatieven voor wat in onze begrippen paradoxale eigenschappen van God zijn. Daardoor wordt tegelijk het mysterie en het niet mens zijn, van wat en wie God is woorden geven met hymnische, mystieke taal. Augustinus kiest hier opnieuw voor een directe verwoording van zijn denken aan God zelf en daarmee wordt het danken en bidden.

Alles is in God, zoals wij in de zuurstof om ons heen zijn en God is in de mens zoals de zuurstof of adem in ons is.

Liefdestaal

Augustinus schrijft liefdestaal: rust vinden, omhelzen, dronken maken, ontfermen, liefhebben, beminnen. De vraag ‘Wat zijt Gij mij?’ roept vanzelf de vraag op ‘wie ben ik voor U?’ Je proeft dat het om de verbinding, om de relatie gaat. (1.5) In het gebed en de Psalmen ontdekt Augustinus waar het om gaat: het heil van God, groter dan de toorn, de jaloersheid van God.

Augustinus kijkt op een andere manier tegen zonde aan dan ik vanuit de protestantse/evangelische traditie heb meegekregen. Zonde is – naast onethische daden – bovenal een fundamentele beperktheid van de mens, we zijn te eng, te vuil, te bouwvallig (1.6). God kan hier niet in. We zijn God niet. We kunnen niet adequaat spreken over God, we zijn te klein voor God. In onze arrogantie denken we dat wel te weten, daarmee houden we ons zelf voor de gek. Tegelijk spreekt Augustinus het vertrouwen in de genade van God uit.

In een volgend blog lees je meer over hoe Augustinus God in het geheugen van de mens ontdekt…

Beeld: Nicolo di Pietro. Saint Augustin et Alypius reçoivent la visite de Ponticianus 1413-15 Musée des Beaux-Arts, Lyon