Iets als een hazelnoot

Zaterdagochtend 10 uur, op de Teerplaats in Arnhem verzamelt een groep mensen zich voor een wandeling in stilte. Frisse Lucht. We lopen daar, passeren mensen, die zo’n zwijgende groep maar vreemd vinden. Lopen verder, zien hardlopers, nordic walkers, mensen die hun hond uit laten. We zijn stil en genieten van de natuur. Zien iets van wat er te zien is, horen vogels. Sommigen kijken naar details, anderen naar doorkijkjes. We staan stil en kijken rond op de plek waar we staan, naar de bomen, het mos, de wolken, de bladeren op de grond.

Vanuit die aandacht luisteren we naar een tekst van Julian of Norwich. Een tekst om door je heen te laten gaan. Te lezen en herlezen, te kijken naar wat er te zien is, verwonderend je vragen te stellen, te schouwen wat het je zegt, te voelen wat het bij jou oproept, paradoxen te ontdekken. Kortom de tekst zelf laten spreken…

Daarop toonde Hij me een klein ding,
ongeveer zo groot als een hazelnoot,
dat, rond als een knikker,
in de palm van mijn hand leek te liggen.

Ik bekeek het nauwkeurig met
het oog van mijn verstand en dacht:
“Wat zou dit kunnen zijn?”
Het antwoord was algemeen:
“Dit is al het geschapene.”

Verwonderd vroeg ik me af
hoe het kon blijven bestaan want,
klein als het was,
had ik het gevoel dat het
plots in het niets zou kunnen verzinken.

Het antwoord dat Hij me ingaf was:
“Het bestaat en het zal altijd blijven bestaan,
want God bemint het.
En zo heeft elk ding zijn bestaan
te danken aan Gods liefde.”

Ik zag in dit kleine ding drie kenmerken.
Ten eerste: God heeft het geschapen.
Ten tweede: God bemint het.
Ten derde: God bewaart het.

Dat zag ik dus, maar wat schouwde ik erin?
Ik schouwde
de Schepper,
de Behoeder,
de Minnaar ervan.

Want zolang ik niet wezenlijk
met Hem verenigd ben,
zal ik nooit echte rust of echt geluk kennen.

Ik wil hiermee zeggen:
zolang ik niet zo stevig aan Hem vasthang,
dat er tussen mijn God en mij
totaal niets is dat geschapen is.

Dit kleine geschapen ding,
ik had het gevoel dat het zo nietig was
dat het in het niets had kunnen verzinken.

Dit is iets dat we nodig moeten weten,
opdat we behagen zouden scheppen in
de onthechting aan al het geschapene,
om God die ongeschapen is
lief te hebben en te bezitten.

De reden immers waarom ons hart en onze ziel
niet echt tot rust komen
is dat we hier naar rust op zoek gaan,
in dit nietig dingetje waarin ze niet te vinden is,
en onze God niet kennen,
die almachtig is, alwijs en algoed:
Hij die de ware rust is.

God wil gekend worden en
Hij schept er behagen in dat we in Hem uitrusten,
want al wat beneden Hem staat
kan ons geen voldoening schenken.

En dat is de reden waarom geen enkele ziel
rust vindt
tot zij aan al het geschapene onthecht is.
Wanneer ze aldus onthecht is,
uit vrije wil en uit liefde,
om Hem te bezitten die alles is,
dan is ze in staat om geestelijk rust te ontvangen.

Julian of Norwich
lezing van Hein Blommestein, vanaf minuut 43.40 over deze meditatie

Meer blogs over teksten van Julian of Norwich